Het Haaksbergerveen

Van 2001 tot 2011 heeft onze kudde het Haaksbergerveen begraasd, een prachtig mooi en groot gebied. Het betrof hier een gescheperde kudde waarbij herder en honden de hele dag bij de kudde verbleven. 

Het Haaksbergerveen is een afgetakeld hoogveengebied dat nu nog ca 500 ha groot is. Het wordt beheerd door Staatsbosbeheer. Doel van het beheer is het herstel van het hoogveen.

Ligging

Het Haaksbergerveen ligt ten zuid-oosten van de dorpskern Haaksbergen. Aan de Duitse zijde ligt aansluitend het 70 ha grote natuurgebied het Ammeloƫr Venn. In het Haaksbergerveen is er een hoogteverschil, nl de meest oostelijke punt (Wennewickweg) ligt op 35 m NAP en op het meest westelijke bij de Parkeerplaats Niekerkerweg is dat 31 m NAP. Omdat water en de beheersing van het waterpeil bij het herstel van het hoogveen het belangrijkste is, bepaalt de geologie de indeling van het gebied. Dwars door het gebied ligt een zandrug van oost naar west die het Dievelaarslaantje of Dievelaarspad wordt genoemd. Daardoor stroomt het water aan de ene kant van het Dievelaarspad van zuid naar noord (dwz vanaf het Dievelaarspad naar de Buurserveenweg) en komt via allerlei verbindingen uiteindelijk in de Buurserbeek terecht. Aan de andere kant van het Dievelaarspad gaat het water richting de grens met Duitsland en via de koffiegoot naar de Berkel. (NB In het dorp Haaksbergen komt de naam Dievelaarslaantje nog een keer voor. Het is naam van het fietspad in het Park Groot Scholtenhagen waaraan ook het IVN gebouw ligt. De oorzaak is dat de schuur van de ondernemer Dievelaar (turfopslag ten behoeve van de steen- en pannendak fabriek) in 1951 van het veen naar het Park Groot Scholtenhagen is verplaatst.) Het ontstaan van een landschap wordt bepaald door een combinatie van een tweetal factoren.

Klimaat

In de eerste plaats gaat het om klimatologische factoren. Het netto-verschil tussen neerslag en verdamping is positief (in geheel Nederland gemiddeld over een aantal jaren 760 neerslag tegen 620 verdamping). Dit is kennelijk op deze geografische breedte gunstig, want er is tussen de 50 en 70 graden noorderbreedte een relatief grote gordel aan hoogveengebieden.

De bodem

Vele miljoenen jaren geleden zijn er in het gebied van het Haaksbergerveen kleiafzettingen gevormd. Op grond van steenonderzoek wordt aangenomen dat in die tijd gletschers uit Scandinaviƫ het Haaksbergerveen bedekten. De kleiafzettingen in het Haaksbergerveen liggen relatief dicht onder het maaiveld nl. 4 tot 7 m. Deze kleiafzetting wordt ook wel een keileemlaag genoemd, hoewel de samenstelling van deze keileem anders is dan de keileem die in bijv Drenthe wordt gevonden. De keileemlaag is zeer slecht waterdoorlatend en vormt daardoor de basis van de waterhuishouding in het Haaksbergerveen. Verondersteld wordt dat deze oude klei als een schotel onder het veen ligt, waarna die schotel later door windafzetting met een laag fijn dekzand is overdekt. In de zandlaag van het Haaksbergerveen komt er bovendien her en der verspreidt nog een concentratie keileem voor. Keileem is o.a. herkenbaar door de aanwezigheid van graniet en zwerfstenen. Keileem bevat meer voedingsstoffen dan zand. Tot 10.000 jaar v. Chr. was er door het barre klimaat in onze streken nauwelijks te wonen: de grond was permanent bevroren en alleen in de zomer werd de bovenste meter een soort modderlaag, het beste te vergelijken met een soort moeras. Geconcludeerd kan worden dat door toevallige meteorologische factoren en bodemfactoren er een gunstige uitgangspositie is ontstaan voor de vorming van hoogveen. Op grond van sporenonderzoek wordt aangenomen dat de gletschermorenen zaden en sporen van verschillende planten hebben meegenomen o.a. het veenmos = Sphagnum.

Toen tussen de 10.000-6000 jaar voor onze jaartelling de temperatuur ging stijgen, ontstonden er dichte bossen Uit het pollenonderzoek is komen vast te staan dat er eerst dennen en later berken waren. Pas later kwamen de meer warmteminnende soorten als de Hazelaar, de Eiken, Iepen, Linden, Essen en de Els.


Plantenselectie

Voor de groei van planten is stikstof en organisch gebonden fosfor / fosfaat een absolute noodzaak (vorming van eiwitten). Als er geen toevoer meer is van deze stoffen, wordt de plantengroei minder. Op dat moment krijgen de plantensoorten die op voedselarme grond goed gedijen de overhand. Er is sprake van een biologische selectie die sinds Darwin de "survival of the fittest" wordt genoemd. Omdat het Haaksbergerveen hoog ligt (34 m N.A.P) en alleen met regenwater wordt gevuld (er is geen kwel) worden de omstandigheden steeds voedselarmer. Zo blijft uiteindelijk alleen de plant over die van "bijna niets" kan leven nog over. Dat is het veenmos. (Sphagnum).

Het veenmos en de vorming van hoogveen

Voor de vorming van hoogveen is het veenmos een absolute voorwaarde. Om de vorming van hoogveen te kunnen en begrijpen is het noodzakelijk iets te weten van het veenmos. Veenmos heeft verder een tweetal eigenschappen die het plantje uniek maakt:

- De plant kan 10 tot 40 x zijn eigen gewicht aan water vasthouden; dit geldt niet alleen voor de levende cellen: ook de afgestorven cellen behouden hun structuur en zijn in staat water vast te houden.

- Veenmos maakt zijn eigen milieu: het is in staat het milieu te verzuren tot een pH 3,5 ( azijnzuur heeft een pH van ongeveer 4) Deze eigenschap stelt het veenmos in staat de concurrentie met andere planten te winnen. Bij deze zuurgraad ontstaat bovendien een sterk conserverende werking op organisch plantenmateriaal.

Van het geslacht VEENMOS (Sphagnum) zijn vele ondersoorten. In het Haaksbergerveen zouden er 16 voorkomen. Die verschillende ondersoorten zijn alleen microscopisch te onderscheiden. Een indicatie is om te kijken waar het veenmos groeit. Er zijn soorten die in matig voedselarm water kunnen leven, zoals het Zwevend veenmos (= Sphagnum cuspidatum). Andere ondersoorten voelen zich juist in extreem voedselarm water het beste thuis. Zo komt alleen in zeer voedselarm water komt het echte Hoogveenmos (Sp magellanicurn) voor. In voedselrijk water gaat veenmos dood. Veenmos heeft geen wortelstelsel. Het voedsel moet via stengels en bladeren worden opgenomen. Het veenmos is daarbij geheel of nagenoeg geheel aangewezen op wat de omgeving te bieden heeft. Aangenomen mag worden dat in het hemelwater vroeger bijna geen voedsel aanwezig was.

Hoogveen versus laagveen

Hoogveen ontstaat alleen als er zeer voedselarme omstandigheden zijn. Het enige beschikbare water is het regenwater. Soms wordt hoogveen daarom ook wel regenwaterveen genoemd. Laagveen ontstaat uit grondwater: dit is ook voedselarm, maar altijd rijker dan regenwater.

De hoogveenvorming

Aangenomen wordt dat de hoogveenvorming als volgt gegaan is. In het gebied waar hoogveen zich gevormd heeft, hebben zich waterplassen bevonden. In die waterplassen groeit het veenmos en ontstaat er een proces van verlanding. De planten sterven jaar in jaar uit af en de laagte wordt langzamerhand gevuld met dood organisch materiaal. Er treedt een verarming op van het milieu omdat de voedingsstoffen in het organisch materiaal mee naar de bodem zakken. In die situatie krijgen de planten die in een voedselarm milieu kunnen leven de beste kansen en zoals gezegd voelt het veenmos zich daar bij uitstek thuis. Het veenmosdek wordt dikker en dikker omdat het veenmos bij goede temperatuur en voldoende water wel 50 cm per jaar kan groeien. Het afgestorven veenmos blijft aan de onderkant zitten. Omdat ook het afgestorven veenmos in staat is water vast te houden sluit het de omgeving van de buitenlucht af. Door de afsluiting van zuurstof in combinatie met de lage zuurgraad stopt het rottingsproces van het afgestorven plantenmateriaal. Ondanks de geweldige groei per jaar is de toename aan veen slecht 0,5 tot 1 mm. per jaar doordat inklinking optreedt. Dat wil zeggen voor een meter hoogveen heb je een eeuw nodig.

Door het enorme wateropnemende vermogen van het sphagnum kan het veenmosdek boven zijn omgeving uitgroeien en ontstaan er hoogten (buiten) en laagten (slenken). Op die bulten en slenken ontstaat vervolgens weer een eigen vegetatie van planten die zich het beste thuis voelen op wat drogere (bulten) of juiste natte omstandigheden (slenken). In tijden van droogte krimpt het veenmosdek in en als er weer voldoende water is zet het weer uit. De variatie in de waterspiegel is echter gering. Toen het klimaat langzamerhand droger werd stopte de veenvorming.

Tekst: Han & Lia van Hagen, IVN Haaksbergen